|
Van: de Regiegroep Passend Onderwijs
Aan: Alle Collega’s in Noord-Kennemerland
juni 2010
|
Nieuws
Onlangs hebben Peter Mol, directeur REC 4.5 en Frank Hoogeboom, Samenwerkingsverband Noord-Kennemerland VO, interviews afgegeven over de voortgang van passend onderwijs. Beide interviews kunt u terugvinden op www.passendonderwijs.nl. Realiteitszin, optimisme en vertrouwen in de professionaliteit van collega’s staan voorop.
Het ministerie constateert grote regionale verschillen m.b.t. de aanvragen van rugzakjes en de verwijzing naar het (Voortgezet) Speciaal Onderwijs. En dat tegen de achtergrond van straks te realiseren bezuinigingen. Men heeft twee gebieden uitgekozen om een onderzoekspilot te starten. Noord-Kennemerland is een van de twee gebieden waar een pilot gestart is. Met bijvoorbeeld vragen “wie verwijst naar wie en wie verwijst veel meer dan een ander, hoe groot is een eventuele wachtlijst.”
We gaan nu driftig onderzoek doen naar leerlingenstromen. Zodra er meer bekend is zullen we iedereen informeren.
Het mandaat van de regiegroep om Passend Onderwijs te implementeren namens de schoolbesturen loopt af per 1-10-2010. Na de zomervakantie zal de regiegroep aan de besturen vragen het mandaat tot 1 oktober 2011 te verlengen.
- Bezuiniging Ambulante begeleiding REC’s 3 en 4
Deze bezuinigingsmaatregel gaat in op 1 augustus 2010. Het bedrag voor ambulante begeleiding binnen de leerlinggebonden financiering wordt verlaagd met 13,6%. Dit geldt voor het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Per rugzak in het primair of voortgezet onderwijs betekent dit dat er circa 670 euro minder beschikbaar komt voor de ambulante begeleiding.
Verder wordt het schooldeel van de rugzak in het speciaal basisonderwijs verlaagd. Dit betekent dat de personele vergoeding per rugzak met ongeveer 4000 euro wordt verminderd, terwijl op het bedrag voor de materiële instandhouding 209 euro in mindering wordt gebracht. In totaal is dit ruim 4200 euro.
Deze maatregelen acht het Ministerie noodzakelijk om de uitgaven voor speciale leerlingenzorg te houden binnen het budgettaire kader dat daarvoor binnen de rijksbegroting is vastgesteld.
Door de beperking van de AWBZ is de extra ondersteuning voor een aantal leerlingen weggevallen of minder geworden. Als een leerling zonder die steun niet meer aan het onderwijs kan deelnemen, kan de school extra geld voor ondersteuning aanvragen. Daarvoor stelt het ministerie van OCW jaarlijks 10 miljoen Euro beschikbaar.
Het geld wordt verdeeld door de Regionale Expertisecentra (REC's) voor cluster 3 en 4. Deze manier van toedeling is bedoeld om versnippering te voorkomen en omdat in die clusters de meeste leerlingen zitten die extra zorg nodig hebben.
Scholen kunnen geld voor de ondersteuning van leerlingen aanvragen bij een REC cluster 3 of 4. Een aanvraagformulier is als bijlage toegevoegd.
Zie verder op deze website: Extra geld voor scholen ivm beperking van de AWBZ
- Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 juni 2010, nr. JOZ/191385,
Het betreft de wijziging van de Regeling voor het aanvragen van een startsubsidie of een subsidie veldinitiatief Passend onderwijs 2009–2011, de Regeling voor het verstrekken van een stimuleringssubsidie Passend onderwijs 2008–2010 en de Beleidsregel experimenten Passend onderwijs.
(zie link officielebekendmakingen.nl)
Op een rijtje: zorgplicht, referentiekader, onderwijszorgprofiel, onderwijszorgzwaarte, onderwijszorgarrangement, verdeling van middelen
De zorgplicht verplicht schoolbesturen om te zorgen voor Passend onderwijs voor alle leerlingen met extra onderwijsbehoeften die op de school worden aangemeld of al staan ingeschreven. Passend is onderwijs dat aansluit op de ontwikkeling van de leerling, de mogelijkheden van het personeel en de wensen van de ouders.
Als een school de gevraagde zorg niet kan bieden, wordt uitgezocht welke school binnen het samenwerkingsverband of in het (V)SO dat wel kan. De zorgplicht moet er onder andere voor zorgen dat het niet langer mogelijk is dat leerlingen thuis zitten. De inspectie ziet toe op de uitvoering van de zorgplicht door de schoolbesturen.
In de komende maanden stellen de sectororganisaties een referentiekader op voor Passend onderwijs. Thema’s in het referentiekader zullen zijn: het zorgprofiel; de wijze van toewijzing van onderwijszorg; de ondersteuning van ouders; de medezeggenschap; de kwaliteit van zorg; de professionalisering en ondersetuning van het schoolpersoneel; de zorg in en om de school; de overgang tussen onderwijsvormen; de verantwoording; de geschillenregeling.
Om zicht te kunnen krijgen op de zorgstructuur in een regio, is het noodzakelijk om de wensen en mogelijkheden van elke individuele aangesloten school in kaart te brengen. Door een onderwijszorgprofiel op te stellen wordt antwoord gegeven op vragen als:
- wat is de kwaliteit van de zorg en de begeleiding;
- welke specifieke expertise is in de school beschikbaar;
- welke grens kent de school als het om leerlingenzorg gaat.
Scholen zullen verplicht zijn een onderwijszorgprofiel op te stellen. Met dit onderwijs-zorgprofiel wordt in feite vastgelegd wat de basiszorg en de extra onderwijszorg is, die de school kan bieden. Het onderwijszorgprofiel is de sleutel om met het personeel het gesprek aan te gaan en afspraken te maken over wat de school wil realiseren aan (extra) onderwijszorg.
- Onderwijszorgzwaarte (toewijzing)
Nieuw aan de toekomstige situatie is dat het budget voor onderwijszorg begrensd wordt. Meestal stelt men dan commissies in die sturing geven aan eerlijk delen. Vervolgens wordt de bewijslast t.b.v. dure interventies, bijvoorbeeld verwijzingen naar (V)SO, ingewikkeld / lastig gemaakt.
Deze zware procedures kenmerken zich vaak door een specialistenoordeel als onontbeerlijk te beschouwen. De mate en de ernst van onderwijsbelemmeringen zijn door ervaren leraren en gedragsdeskundigen goed in te schatten. Bij indicatie beslissingen op individueel niveau is praktijkkennis, naast het inzetten van erkende vragenlijsten van grote betekenis. Relevant voor de onderwijszorgzwaarte zijn de onderwijsbelemmeringen die zich laten vertalen in onderwijsbehoeften. Daarbij is de aard van de stoornis geen goede graadmeter. Leerlingen met een eenzelfde stoornis kunnen verschillen in mate en ernst aan onderwijsbelemmeringen. Handelingsverlegenheid is geen indicatiecriterium, maar een signaal dat het onderwijsaanbod niet aansluit bij de behoefte. Het is geen directe reden om te verwijzen, het is een reden om na te gaan waar de mismatch in zit: wat heeft de leerling nodig wat op dit moment niet geboden wordt. Wanneer duidelijk is dat het benodigde aanbod niet binnen de betreffende school voor handen is, dan pas is er reden om te denken aan een aanvraag voor een aanvullend onderwijszorgarrangement.
Deze arrangementen onderscheiden zich op vijf relevante kenmerken:
- de hoeveelheid aandacht en tijd (hoeveel extra tijd is er nodig / beschikbaar, welke eisen moeten / kunnen we stellen aan het aantal handen in de klas;
- het onderwijsmateriaal (welke onderwijsmaterialen zijn nodig / beschikbaar);
-de ruimtelijke omgeving (welke aanpassingen in de klas, in en om het schoolgebouw zijn nodig / beschikbaar om een normale schoolgang van de leerlingen met speciale behoeften te garanderen);
- de expertise (welke teamexpertise is nodig / beschikbaar, en welke specialistische expertise is nodig / beschikbaar, met speciale behoeften te garanderen);
-de samenwerking met andere instanties (samenwerking op welke basis en met welke intensiteit is nodig / beschikbaar met welke instellingen buiten het onderwijs).
Voor de verdeling van de middelen kunnen verschillende modellen gebruikt worden.
A. Alle reguliere scholen hebben hetzelfde basisprofiel met dezelfde vaste bekostiging. Binnen dit basisprofiel kunnen zij niet aan alle onderwijszorgbehoeften voldoen.
Voor elke leerling met een onderwijsbehoefte die het basisprofiel te boven gaat, wordt uitgerekend wat de voorziening kost (per kosteneenheid en per veld een bedrag), en dit bedrag wordt toegekend op basis van een indicatiestelling. Dit is een heel precieze, eerlijke toekenning van middelen. Maar dat is dan ook meteen het enige voordeel. Nadelen:
- er ontstaat een uitgebreide bureaucratie doordat elke indicatiestelling een eigen Kostenbepaling vergt;
- de scholen kunnen niet rekenen op voldoende financiële continuïteit om te durven investeren in onderwijszorg;
- de besturen / het netwerk heeft weinig grip op de onderwijszorg, terwijl dat voor goede organisatorische en financiële bedrijfsvoering nodig is.
B.Meer voor de hand ligt een combinatiemodel met vaste en flexibele elementen.
Dit model bestaat uit twee bekostigingsonderdelen op de begroting van een samenwerkingsverband: een vaste basisprofielbekostiging per school en een geschatte bekostiging van onderwijszorgarrangementen voor geïndiceerde leerlingen die boven de basiszorgprofielen uitgaan. Bij de vaste basisprofielbekostiging is er sprake van bekostiging aan de scholen vooraf, met resultaatafspraken over de inzet. De bekostiging voor geïndiceerde leerlingen vindt per indicatiestelling plaats, vanaf het moment van toewijzing van het onderwijszorgarrangement.
Bijna vakantie
De zomervakantie staat voor de deur. We hebben een vreemd jaar Passend Onderwijs achter de rug. Eerst de Koerswijziging in november, de acceptatie daarvan begin februari, controversieel verklaring Passend Onderwijs begin maart, herroeping daarvan ook in maart, bezuinigingen in mei die al ingaan nog voor Passend Onderwijs bij wet geregeld is. En dan nu de pilot in Noord-Kennemerland.
Het zou toch wel een zegen zijn als een nieuw Kabinet eens wat orde komt scheppen: heldere kaderstelling, ook financieel, heldere positionering van regulier en (voortgezet) speciaal onderwijs, heldere verantwoordelijkheden.
Iedereen een fijne vakantie toegewenst.
Namens de regiegroep: Frank Hoogeboom en Rita Spoor
|